Na ongeveer 200 jaar wordt in de Norbertijnenabdij van Park opnieuw bier gebrouwen

Eeuwenlang brouwden de norbertijnen van de Abdij van Park in Heverlee (Leuven) bier voor eigen consumptie. Onder de Franse overheersing, in 1797, werden de kanunniken verplicht de abdij te verlaten. Alle gronden en goederen werden geconfisqueerd door de overheid en geveild. Hoewel de kanunniken later naar de abdij konden terugkeren, kwam tijdens deze woelige periode ook een eind aan het bierbrouwen. In 1828 werden de brouwketels als oud ijzer verkocht. Recent beslisten de norbertijnen van Park om terug aan te knopen met hun aloude traditie van bierbrouwen. Er werd een nieuwe abdijbrouwerij gebouwd. Het eerste bier dat in de ketels werd gebrouwen, werd genoemd naar abt Libertus De Paepe en heet Libertus. Voor toekomstige bieren zullen ook namen volgen van personen die veel voor de abdij betekend hebben.

Een tiental jaar geleden vroeg brouwer Joris Brams, die opgroeide in de schaduw van de Abdij van Park, zich af waarom de norbertijnen geen bier produceerden. Hij wist dat vroeger in de abdij, naast de molen die het graan maalde, bier werd gebrouwen. Uiteindelijk bracht hij in 2012 in overleg met de kanunniken het bier “Heverlee”-bier op de markt. Dat groeide intussen uit tot een succesverhaal in het buitenland. De verkoop ervan zorgt voor een relevant inkomen voor de Abdij van Park. Het bier Heverlee, waarvan nu al meer dan 16 miljoen pintjes per jaar worden verkocht, wordt gebrouwen bij de familiale brouwerij Martens.In 2017 staken de paters van de Abdij van Park en Joris Brams de koppen opnieuw bij elkaar. Broeder Filip Noël, pater-econoom van de Abdij van Park: “Er werd beslist om de brouwerij zorgvuldig te restaureren en op de originele plaats herop te bouwen. BW Process, een Belgisch bedrijf gespecialiseerd in de productie van brouwerijmateriaal, stelde zijn ervaring en kennis ten dienste van ons project en bracht tal van vernieuwende ideeën aan. Hiermee wordt opnieuw aangeknoopt met een andere eeuwenoude traditie van onze Abdij, namelijk het toepassen van innovatieve en duurzame oplossingen.”Joris Brams voegt eraan toe: “In de Abdijbrouwerij van Park worden slechts heel kleine hoeveelheden bier geproduceerd met lokale grondstoffen volgens eeuwenoude principes. Eén brouwsel is 1000 liter. Er worden uitsluitend gebruik gemaakt van bio-ingrediënten en kruiden die op de abdij zelf groeien. Bij het brouwen volgen wij de seizoenen. Het graan wordt gemalen in de nabijgelegen watermolen. Daar kunnen de bieren ook geproefd worden.

Abdijbier

De bieren worden lokaal verkocht. De jaarlijkse maximumcapaciteit van de Abdijbrouwerij van Park bedraagt ca. 2000 hectoliter.De brouwerij heet “Braxatorium Parcensis”, wat “Brouwerij van Park” betekent in het Latijn. De bieren die er gebrouwen worden zijn waarachtige abdijbieren want ze worden – net zoals het geval is met de trappistenbieren – geproduceerd binnen de muren van de abdij, en niet door een commerciële, seculiere brouwerij die aan een abdijgemeenschap licentieroyalty’s betaalt voor het gebruik van de naam van de abdij.Voor meer informatie betreffende de brouwerij en de bieren van de Abdij van Parkwww.braxatoriumparcensis.be of www.abdijbrouwerijvanpark.be en op Facebook, Instagram en Twitter onder Braxatorium Parcensis. 

Verschil abdijbier en trapistenbier

Wat zijn abdijbieren?Abdijbieren zijn bieren die aan een abdij verbonden zijn (vaak alleen in naam), want vele abdijbieren worden door gewone seculiere brouwerijen geproduceerd. Er wordt daarom vaak onder licentie van een abdij gebrouwen, wat inhoudt dat de abdij toestemming moet geven voor het gebruik van de naam van de abdij, elk nieuw gebrouwen bier, elk nieuw etiket, enzovoort.De Braxatorium Parcensis-bieren zijn eveneens abdijbieren, met dien verstande dat ze echt binnen de muren van de abdij (intra muros) worden gebrouwen.Er zijn niet zoveel abdijen meer waar effectief nog op het abdijdomein zelf bier wordt geproduceerd. Bij de Abdijbrouwerij van Park is dat wel het geval. Dat maakt Braxatorium Parcensis-bieren zo bijzonder. Zijn de bieren van de Abdij van Park dan trappistenbieren? Neen.
De benaming ‘trappistenbier’ is juridisch beschermd en mag alleen gebruikt worden wanneer de productie van het bier plaatsvindt binnen de kloostermuren van een trappistenabdij onder toezicht van de monniken. Het merk ‘Trappist’ mag dus nooit door een andere brouwerij gebruikt worden. Hoewel de Braxatorium Parcensis-bieren, net zoals de bieren van de trappistenkloosters binnen de muren van de abdij worden gebrouwen, worden ze gewoon ‘abdijbieren’ genoemd. 

 Voor de productie van de bieren van de Abdij van Park worden biogranen gebruikt. Elk bier zal zijn eigen kleur, smaak en aroma hebben. De bieren zijn ongefilterd en niet gepasteuriseerd. Ze gisten na op de fles. Dit komt de smaak, aroma en de houdbaarheid, die enkele jaren kan oplopen, ten goede. De smaak kan nog met de jaren evolueren.Het allereerste bier dat in de nieuwe abdijbrouwerij wordt gebrouwen is Libertus, genoemd naar de invloedrijke abt Libertus De Paepe die van 1648 tot 1682 de Abdij bestuurde. Later zullen nog namen van andere personen volgen die veel voor de Abdij van Park betekend hebben. Ook hier geldt het adagio van de Abdij “Ne Quid Nimis”. Alles met mate. Niets in overvloed. Libertus is momenteel verkrijgbaar in flessen van 33 cl en weldra ook in kruiken van 1 liter en vaten van 20 liter. De bieren zullen verkocht worden via www.braxatoriumparcensis.be en een aantal lokale kanalen. Een bierlabel dat bol staat van de informatieHet etiket van het Libertus-bier bevat veel meer informatie dan alleen maar het zichtbare drukwerk. De Abdij heeft bewust gekozen voor een innovatieve digitale toepassing, waarbij bijkomende elementen zichtbaar worden wanneer men het etiket met behulp van een Augmented Reality (AR) smartphone-app bekijkt. Dankzij deze AR-technologie krijgt de consument er op een heel intuïtieve manier een extra informatielaag bij wanneer hij het papieren etiket waarneemt.De AR-app SnapPress kan gratis gedownload worden via de Android of Apple App Store.

Tripels

De in de Abdijbrouwerij van Park gebruikte methode werd ook al in de Middeleeuwen gehanteerd. Er wordt namelijk van het graan een suikeroplossing gemaakt die men laat vergisten. Daarbij worden alcohol en koolzuurgas gevormd.Graan is het belangrijkste ingrediënt van de abdijbieren van Park. Niet alleen gerst, maar ook rogge, tarwe en mais kunnen worden gebruikt. In de Braxatorium Parcensis-bieren wordt vooral zomergerst gebruikt, die men laat kiemen. Het kiemproces kan worden stopgezet door het “in de kiem te smoren” met behulp van hete lucht in een eest. Op dat moment blijft het beste over van twee werelden. Een gerstkorrel vol zetmeel en vol enzymes. Dit is precies wat de brouwer nodig heeft. Door de temperatuur aan te passen van de eest, verandert ook de kleur van de mout.Vooraleer met brouwen kan begonnen worden, moet de mout nog gemaald worden. Dit gebeurt in de Abdijmolen waar een geschikte steen werd gevonden die grof kan malen.In de eerste ketel van de brouwerij wordt water van 52°C met de gemalen mout gemengd. Daarna wordt de temperatuur van het mengsel verhoogd tot 63°C. Op die temperatuur zijn de beta-amylasen zeer actief. Ze knippen de lange zetmeelketens in stukken waardoor er suikers worden gevormd. Nadien wordt de temperatuur verder opgedreven tot 72°C zodat ook de alfa-amylasen geactiveerd worden. Eens alle zetmeel afgebroken is, krijgen we ‘wort’. Wanneer aan het wort tarwe, rogge of mais worden toegevoegd, dan zullen de enzymes van het mout ook het zetmeel van deze granen mee afbreken en omzetten in suikers.Na de filtering met een revolutionaire Meura 2001-filter van Belgische makelij ontstaat klaar wort. Deze filter biedt het grote voordeel dat met heel verschillende granen kan gewerkt worden en dat het laatste suikerextract via membranen onder druk er door wordt geperst. Geen verlies dus en enorm snel. Wat over blijft, is draf. De abdijkoeien zijn er verlekkerd op.Vervolgens wordt het wort, samen met de hop, gekookt in de kookketel. Daarbij vormt er zich nog een troebele materie (trub) die ook moet worden afgescheiden. Nadien wordt het wort gekoeld tot 20°C en wordt het naar de gisttank overgepompt.Tussen de koeling en de gisttank wordt nog lucht door het wort gejaagd. Een gistcel heeft namelijk lucht nodig om zich te vermenigvuldigen. Op een bepaald moment zullen de gistcellen zich niet meer vermenigvuldigen maar gaan ze over tot een alcoholische vergisting. Ze eten suikers en scheiden alcohol en koolzuurgas uit. Er komt ook wat warmte vrij waardoor de gistingstanks gekoeld moeten worden om de temperatuur constant op 22°C te houden. Na ongeveer een week is het brouwsel uitgegist en kunnen we het koelen tot bijna het vriespunt.Daarna laten we het bier gedurende enkele weken rijpen op lage temperatuur. Dit is een zeer traag proces, dat noodzakelijk is om het bier evenwichtig en stabiel te krijgen. Vervolgens wordt het bier afgevuld in flessen of vaten.Bij het afvullen, wordt opnieuw een klein beetje gist toegevoegd waardoor er in de fles nog eens een vergisting plaatsvindt. De derde vergisting, de “Tripel”, is een feit. Alle Braxatorium Parcensis-bieren zijn dus eigenlijk tripels. Een mooi staaltje van innovatieve technologie

Abdij van Park: innovatief

Door de eeuwen heen was de Abdij van Park gekend voor zijn innovatie. In de nieuwe abdijbrouwerij is dat niet anders. Bij de productie van de bieren wordt gebruik gemaakt van moderne innovatieve technologie met respect voor de basis van het middeleeuwse brouwen. Kortom, het brouwproces van weleer in installaties van vandaag.Wat vooral belangrijk is, is de tijd die genomen wordt om de Braxatorium Parcensis-bieren te brouwen. Traag is goed. Dit in tegenstelling met tal van grotere brouwerijen waar de nadruk wordt gelegd op snelheid en productiviteit.Hieronder vind je een overzicht van de gebruikte technieken in de abdijbrouwerij. Ze zijn allemaal van Belgische makelij

Brouwproces

In de maischketel wordt het gemalen graan gemengd met water en verwarmd. Hierbij wordt gebruik gemaakt van directe stoominjectie. Het voordeel is dat er geen warmte verloren gaat. Het hele brouwsel is ook overal even warm.Een bijkomend voordeel is dat met dit systeem flink wat water wordt bespaard omdat er ook geen aanbakefffect is op de bodem van de tank en de wanden van de tank hierdoor properder blijven.De stoom wordt opgewekt via een elektrische stoomgenerator, die wordt aangedreven door 100% groene stroom. Er is met andere woorden geen CO2-uitstoot.Het stoominjectiesysteem werd gebouwd door het Belgische bedrijf Meura.

Meura-filter 2001
Dit is het pronkstuk van de brouwerij. Dankzij deze filter kan gewerkt worden met verschillende graansoorten. Het rendement ligt zeer hoog. Tot de laatste druppel van het brouwsel toe wordt gebruikt. De verliezen zijn minimaal

.Excentrisch bodemroerwerk
De maischketel is uitgerust met een excentrisch roerwerk, dat op de bodem van de tank gemonteerd werd. Het roerwerk voorkomt dat er een grote draaikolk ontstaat. De ingrediënten worden bijgevolg beter gemengd en er wordt niet teveel lucht in het brouwsel gebracht.Kookketel
De ketel is uitgerust met een externe koker. Hierdoor kan er gewerkt worden met verschillende brouwvolumes. Het opwarmen gebeurt met stoom onder lage druk om de verdamping beter te kunnen regelen. Aangezien het wort niet oververhit geraakt, verkleurt het ook niet. Tenslotte bezorgen wij ons brouwsel geen ‘warmtestress’. Het gevolg is dat de eiwitten die belangrijk zijn voor de schuimvorming, niet aangetast worden.

Whirlpool en kookketel gecombineerd
Tijdens het koken vormt er zich een troebele materie die uit het wort moet worden gehaald. Aan de onderkant van de ketel wordt het wort uitgepompt en langs de zijkant opnieuw in de ketel geïnjecteerd. Daardoor ontstaat een kolk die ervoor zorgt dat het troebele gedeelte naar de bodem zinkt en het wort bovenaan klaar wordt. 

De Watermolen

De watermolen werd in 1534 opgetrokken, samen met de kern van de huidige Sint-Janspoort. Er waren toen slechts twee vijvers, de derde en de vierde werden pas rond 1700 uitgegraven. De vijvers dienden zowel als kweekvijvers en als waterreservoirs om de molen aan te drijven. Achter de molen en aansluitend bij de Sint-Janspoort stond een smidse.De watermolen bleef eeuwenlang in gebruik en werd verpacht . Die maalde er tarwe, rogge en gerst voor de abdij maar ook voor de boeren uit de omgeving. Omstreeks 1860 werd in het molengebouw een krachtige stoommachine geïnstalleerd die de maalcapaciteit gevoelig opdreef. Naar aanleiding van het overlijden van de toenmalige molenaar werd er tussen 1963 en 2014 in de abdij niet meer gemalen.Het molengebouw stond op instorten. In 2013 werd van start gegaan met de restauratie. Sedert maart 2014 wordt er opnieuw graan gemalen op elke derde zondag van de maand. Het graan dat gebruikt wordt voor de Braxatorium Parcensis-bieren wordt in deze molen gemalen.In 2014 werd in het gebouwencomplex van de watermolen de deuren van brasserie De Abdijmolen. Daar kan men de bieren van de Abdij van Park degusteren.

Wie is wie?

wie ?Filip Noël werd geboren in 1964. Hij werd in 1982 ingekleed bij de Norbertijnen en legde zijn professie af in 1984. In 1990 werd de kanunnik tot priester gewijd. Naast zijn werk als uitgever religie bij Uitgeverij Altiora is hij tevens provisor van de abdij van Park.Joris Brams werd geboren en getogen in Leuven en woonde vroeger naast de abdij. Het was zijn geliefkoosd speelterrein in de jaren 70 en 80. Nadat hij in Leuven als industrieel ingenieur was afgestudeerd, ging Joris in 1991 aan de slag in de brouwerijsector. Hij deed ervaring op zowel in België als elders in de wereld. Hij startte bij Alken-Maes waar hij operationeel directeur was gedurende 10 jaar. Nadien werkte hij voor de Britse aandeelhouder als technisch directeur en had hij de leiding over bijna 100 brouwerijen in Groot-Brittannië, Frankrijk, Rusland, China, India, en zelfs in Vietnam.Toen de groep in 2008 haar brouwerijactiviteiten verkocht aan Heineken en Carlsberg, ging Joris werken voor een Iers-Schotse brouwerij, waar hij in 2012 het Heverlee-bier creëerde. Dat bier is ondertussen uitgegroeid tot een succes van meer dan 40.000 hectoliter en genereert mooie inkomsten voor de Abdij van Park.Het in ere herstellen en opnieuw opstarten van de Abdijbrouwerij was dan ook de volgende logische stap. Joris wordt hierbij bijgestaan door zijn echtgenote Katia. Hij is ervan overtuigd dat het Braxatorium Parcensis-project een succes wordt. Omtrent de Abdij van ParkIn het jaar 1129 zond de abt van Laon op vraag van Godfried met de Baard enkele norbertijnen naar Heverlee. Ze kregen er het jachtpark van de hertog ter beschikking. De abdij kreeg daarom de naam ‘Abdij van Park’. Conform het ideaal van ordestichter Norbertus stortten de discipelen zich op hun leven van contemplatie, apostolaat, armoede en landontginning. Al in 1154 bezat de jonge gemeenschap meer dan 350 ha bos, landerijen en weiden in een dozijn Brabantse dorpen. In de prille beginperiode werden de kanunniken vergezeld van zusters-kanunniken, weliswaar in een strikt gescheiden systeem. Daarnaast waren er nog broeders en novicen. De abdij verloor niet veel later haar statuut als dubbelklooster.Omstreeks het midden van de 15de eeuw was de stichting van Abdij van Park gestabiliseerd. Er woonden toen circa 30 kanunniken, novicen, enkele broeders en inwonende dienstlui. Vanaf de late jaren 1560 deelde de abdij in de klappen van de godsdienstoorlogen. De opbrengsten droogden op en de abdij kreeg te maken met plunderaars. In 1568 vestigde de hertog van Alva, opperbevelhebber van de Spaanse troepen in de Nederlanden, zijn hoofdkwartier in de gebouwen. De kanunniken trokken zich terug in hun refugehuis in de Minderbroedersstraat in Leuven.De abt was de hoogste in rang en droeg de eindverantwoordelijkheid zowel voor het geestelijke als voor het tijdelijke. In het Ancien Regime waren de abten van Abdij van Park zeer invloedrijke figuren. Omstreeks het midden van de 17de eeuw, toen de abdij onder het abbatiaat van Libertus de Pape (1648-1682) zowel spiritueel als economisch een hoogtepunt beleefde, strekte haar grondbezit zich uit over 130 dorpen. Vlaanderen telt vandaag nog talrijke monumentale vierkantshoeves, fraaie pastorieën en mooie dorpskerken die werden gebouwd door de Parkabdij. Tijdens een bouwcampagne kwamen de huidige hoeve, wagenhuis en stallingen met voorplein en de stucwerkplafonds van Jan Christiaan Hansche tot stand.In de periode 1719-1730 kreeg de abdij haar huidige uitzicht. De plattegrond van de site met de bebouwingspatronen en het cultuurlandschap met de vijvers zijn middeleeuws. Het klooster volgt het plan van Sankt-Gallen en respecteert de logica van de maateenheid van een vierkant. Abtskwartier, kerk, refter, keuken, warmkamer, infirmerie en kapittelzaal scharen zich rondom een open vierkante ruimte, het pand, met daarrond vier pandgangen. Verder waren er nog slaapvertrekken en een bibliotheek. De site telde ook nog een watermolen en verscheidene poortgebouwen.Op het einde van de 18de eeuw barstte de Franse revolutie los. In 1797, onder de Franse overheersing, viel het doek over de Abdij. De abdij werd afgeschaft. De kanunniken werden verplicht de abdij te verlaten. Alle gronden en goederen van de norbertijnen werden geconfisqueerd door de overheid en verkocht. De kunstcollecties, het archief en de boeken werden door de kanunniken in veiligheid gebracht. Dankzij een stroman slaagden de kanunniken erin om hun abdij met omliggende gronden terug te kopen.De abdijkerk werd vanaf 1803 de zetel van de nieuwe parochie Sint-Jan-de-Evangelist. Het duurde uiteindelijk tot 1836 vooraleer de overlevende kanunniken de abdij konden heroprichten. Herstel kwam er pas in de tweede helft van de 19de eeuw. De norbertijnen sprongen in die periode ook op de kar van de missionering.De 20ste eeuw bracht nogmaals een heropbloei. Er vormden opnieuw een netwerk van parochies bediend door een Parkheer. Andere kanunniken kwamen terecht in het onderwijs of werden aalmoezenier. Daarnaast huisvestte de abdij verschillende generaties Leuvense studenten. Na het tweede Vaticaans Concilie ontsnapte de abdij niet aan de neerwaartse tendens van het kloosterwezen in West-Europa. Het aantal roepingen daalde, de economische activiteiten verminderden en het gebouwencomplex was in een niet aflatende strijd met slijtage en erosie gewikkeld. De norbertijnen beseften zeer goed dat het van groot belang was om hun erfgoedsite voor de komende generaties te bewaren. Daarom stapten ze vanaf de jaren 1990 in het verhaal van restauratie en herbestemming.In 2003 beslisten de norbertijnen om grote delen in erfpacht te geven aan de stad Leuven en werd het Museum Abdij van Park opgericht. De restauratiewerken gingen dat jaar van start. In 2011 werd de hele abdijsite, inclusief kloostercomplex, voor 99 jaar in erfpacht gegeven aan de stad Leuven. In ruil kan de stad rekenen op een uitzonderlijke en eenmalige restauratiepremie van de Vlaamse overheid.De restauratie gebeurt met het grootste respect voor het behoud en de authenticiteit van de site. De norbertijnen blijven het gebouw bewonen. De KU Leuven zal in samenspraak met de stad Leuven en de norbertijnen buitenlandse priesterstudenten in de abdij huisvesten. De algemene diensten van de Katholieke Hogeschool Leuven nemen het Gastenkwartier en het Provisorenhuis in.De Abdij van Park is één van de best bewaarde abdijcomplexen in de Nederlanden. Sinds de bouw van de kerktoren in 1729 werd vrijwel niets afgebroken of bijgebouwd. Samen met de erfgoedcollecties, de interieurs en het historische landschap is dit potentieel UNESCO-werelderfgoed.Voor meer informatie betreffende de kanunnikengemeenschap van de Abdij van Park: www.norbertijnenabdijvanpark.be

This post is also available in: nlNederlands

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*