Hun vader was een overtuigd nazi, hun moeder half-Joods. De geschiedenis van een van de rijkste families van Duitsland zit vol tegenstrijdigheden

De nazi’s hadden haar vader vermoord. Vervolgens werd ze verliefd op een van hen. En nu moeten haar steenrijke nakomelingen, die in het bezit zijn van Douwe Egberts, Krispy Kreme en andere merken, in het reine zien te komen met het onuitsprekelijke geheim dat aan het licht is gekomen.

Emilie Landecker was negentien toen ze ging werken voor Benckiser, een Duits bedrijf dat industriële reinigingsmiddelen produceerde en dat er prat op ging het personeelsbestand te hebben gezuiverd van niet-Arische elementen.

We schrijven 1941. Emilie Landecker was half-Joods en als de dood om te worden gedeporteerd. Albert Reimann junior was een vroege aanhanger van Hitler en omschreef zichzelf als een ‘overtuigd aanhanger’ van de rassentheorie van de nazi’s.

Op de een of andere manier, haast onverklaarbaar, werden ze verliefd.

Het verhaal van de liefde tussen Emilie Landecker, wier Joodse vader was vermoord door de nazi’s, en Albert Reimann, wiens fanatieke nazistische denkbeelden en zijn inzet van dwangarbeiders de familie er niet van weerhield om na de oorlog een ongekend vermogen te vergaren, is een vertelling van dood en toewijding, van menselijke tegenstrijdigheden. Het is ook een verhaal van bedrijfsmatige boetedoening in onze moderne maatschappij.

Een gruwelijke geschiedenis

Tientallen jaren na de Tweede Wereldoorlog groeide Benckiser uit tot een van grootste consumentengoederenconglomeraten ter wereld. Het bedrijf, dat tegenwoordig bekendstaat als de JAB Holding Company en dat nog altijd wordt geleid door de familie Reimann, is meer dan twintig miljard dollar waard en omvat onder meer Krispy Kreme Doughnuts, Peet’s Coffee, Einstein Brothers Bagels, Stumptown Coffee Roasters, Pret A Manger, Keurig en andere ontbijtmerken.

In het tijdperk van Trump, Brexit en Matteo Salvini kunnen bedrijven niet langer voorwenden in een “waardenvrije ruimte” te opereren.’

De relatie van Reimann en Landecker is vele jaren geheim gebleven. Hij was getrouwd maar had geen kinderen met zijn vrouw. Reimann en Landecker hadden samen drie kinderen, die hij in de jaren zestig adopteerde; momenteel hebben twee van die kinderen samen ongeveer vijfenveertig procent van de JAB-aandelen in handen. Ze zeggen tientallen jaren niets te hebben geweten van hun vaders nazistische denkbeelden, noch van de misstanden in het bedrijf dat ze hebben geërfd: de vrouwelijke dwangarbeiders die naakt buiten voor hun barakken moesten staan. Een krijgsgevangene die uit een schuilkelder was gestuurd en om het leven kwam.

Reimann en Landecker, die respectievelijk in 1984 en 2017 zijn overleden, spraken nooit over die tijd. Belastende documenten werden vernietigd of weggestopt in een kluis. In een tweedelig boekwerk over de geschiedenis van het bedrijf wordt de naziperiode in een paar pagina’s afgedaan. Maar naarmate Benckiser aan de weg timmerde en uiteindelijk uitgroeide tot het wereldwijde JAB, werd het steeds ondoenlijker het verleden te negeren. Peter Harf, die in 1981 bij het bedrijf kwam werken en sinds dit jaar aan het hoofd staat van de raad van bestuur, en wiens eigen vader een nazi was, zegt er nooit echt in te hebben geloofd dat het bedrijf niets te verbergen zou hebben. ‘Ik kende de verhalen die werden verteld,’ zei hij. ‘Daar zat een luchtje aan.’

Rond 2012, toen JAB wereldwijd de aandacht trok met de overname van enkele belangrijke koffiemerken, drong Harf erop aan dat de familie een onafhankelijke partij zou inschakelen om de familiearchieven uit te pluizen. In 2016 nam Paul Erker, een geschiedkundig econoom verbonden aan de universiteit van München, die taak op zich.

Pas nu, vierenzeventig jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog, proberen zowel de familie als het bedrijf in het reine te komen met de duistere en ingewikkelde geschiedenis. In maart lekten de eerste bevindingen uit in een Duitse tabloid, over de manier waarop het bedrijf misbruik had gemaakt van dwangarbeiders. Nazi-activiteiten binnen bedrijven waren niet ongebruikelijk in de geschiedenis van het Duitse bedrijfsleven en de misdaden van de Reimanns waren minder erg dan die van veel grotere bedrijven, die banden hadden met de dodenkampen en direct betrokken ware bij de onteigening van Joodse ondernemingen. Maar doordat in JAB’s portfolio veel zonnige koffie- en donutmerken uit de Verenigde Staten zitten, haalden de onthullingen wereldwijd de voorpagina’s.

De medewerkers van JAB – wereldwijd zo’n honderdtachtigduizend mensen – hebben laten weten dat klanten hen voor de voeten werpen dat ze ‘voor de nazi’s werken’. Er is gedreigd met boycots; onlangs stond er nog een vlammend artikel in The Boston Globe, met als titel: ‘Ik ben tot de ontdekking gekomen dat mijn lievelingskoffie wordt gefinancierd met nazigeld. Kan ik het nog wel drinken?’

De verontwaardiging is opgelaaid zonder dat men precies weet wat de nazisympathieën van Reimann in de praktijk behelsden – en zonder dat men het hele verhaal kent, inclusief de hartverscheurende twist aan het einde: uiteindelijk was de familie Reimann zowel dader als slachtoffer. De erfgenamen dragen beide kanten met zich mee. In een reeks interviews met The New York Times hebben leden van de familie Reimann zich voor het eerst in het openbaar uitgelaten over het nazischandaal. Ze hebben het verhaal naar buiten gebracht van Alfred, de Joodse vader van Emilie Landecker, en verteld hoe de moord op Alfred de familie ertoe heeft gedwongen niet alleen het verleden onder ogen te zien, maar ook de toekomst.

De familie Reimann zegt er een deel van hun privévermogen voor te willen uittrekken om eer te bewijzen aan de nagedachtenis van Alfred Landecker. Ze willen een eenmalige schenking doen van tien miljoen euro aan instellingen die steun bieden aan voormalig dwangarbeiders en hun gezin. De Reimanns willen ook de Reimann Foundation vernoemen naar Alfred Landecker en het budget verhogen tot vijfentwintig miljoen euro, terwijl ze de leiding willen overdragen aan een onafhankelijk bestuurslichaam.

De stichting zal projecten financieren die ‘eer bewijzen aan de slachtoffers van de Holocaust en de naziterreur’. Ook zijn er plannen om tenminste één leerstoel in Duitsland op te richten in naam van de heer Landecker.

‘Reimann sr. en Reimann jr. waren niet zomaar opportunistische volgelingen van het regime,’ zegt Harf. ‘Ze waren het naziproject met hart en ziel toegedaan.’

Op de nieuwe website van de Alfred Landecker Foundation staat te lezen dat de stichting als doelstelling heeft om onderricht te geven ‘over de Holocaust en de verschrikkelijke prijs die wordt betaald wanneer onverdraagzaamheid en fanatisme de overhand krijgen’. Even verderop staat: ‘Het uitgangspunt is ons kritisch vermogen aan te scherpen zodat we de wortels van een dergelijke haat leren herkennen en kunnen voorkomen dat dergelijke verschrikkelijke gebeurtenissen zich herhalen.’

In een interview merkt Harf op dat hij op drie plekken woont – New York, Londen en Milaan – waar nationalisme en etnische tegenstellingen om zich heen grijpen. Het grootste deel van zijn lange carrière, zegt hij, is hij van mening geweest dat het aandeelhouderskapitalisme waardenvrij zou zijn. Dat idee heeft hij inmiddels losgelaten. In het tijdperk van Trump, Brexit en Matteo Salvini, zegt hij, kunnen bedrijven niet langer voorwenden in een ‘waardenvrije ruimte’ te opereren.

Ook nu weer leven we in een tijd waarin mensen stelling moeten nemen, aldus Harf. ‘Ik ben heel bang voor wat ons te wachten staat.’

‘Een zuiver Arisch bedrijf’

In juli 1937 schreef Albert Reimann jr. een brief aan Heinrich Himmler, het hoofd van de SS, die later de leiding zou hebben over de Holocaust.

‘We zijn een zuiver Arisch bedrijf van meer dan honderd jaar oud,’ schreef Reimann, die destijds negenendertig jaar oud was, en senior executive in het bedrijf van zijn vader. ‘De eigenaars zijn overtuigd aanhanger van de rassentheorie.’

De familie Reimann had zich lang voordat de nazi’s de macht grepen al achter het nationaalsocialisme en het antisemitisme geschaard, zo valt te lezen in een tussentijdse rapportage van Erker, de historicus. De jongere Reimann had Hitler in 1923 in München horen spreken en was een van zijn eerste aanhangers.

Zijn vader, Albert Reimann senior, die destijds aan het hoofd stond van Benckiser, hoorde Hitler vier jaar later spreken in Mannheim, niet ver van het Zuid-Duitse hoofdkwartier van het bedrijf. Reimann sr. sloot zich in 1931 aan bij de nazipartij. Een jaar later volgde zijn zoon zijn voorbeeld.

In 1943 bestond een derde van het personeelsbestand uit dwangarbeiders: 175 mensen, van wie de meesten afkomstig uit Frankrijk en Oost-Europa.

Rond die tijd reorganiseerden de mannen het bedrijf, in overeenstemming met de nazi-richtlijnen.

Tegen de tijd dat Hitler aan de macht kwam, was er bij Benckiser al een nationaalsocialistische bedrijfsorganisatie opgericht – een soort ondernemingsraad die probeerde de nazi-ideologie door te voeren.

Later zou Benckiser ‘een nationaalsocialistisch modelbedrijf’ worden.

‘Reimann sr. en Reimann jr. waren niet zomaar opportunistische volgelingen van het regime,’ zegt Harf. ‘Ze waren het naziproject met hart en ziel toegedaan.’

Benckiser was destijds een gemiddeld groot chemisch bedrijf, waar onder meer citroenzuur werd vervaardigd, een chemisch middel om water te verzachten, maar ook supplementen voor babyvoeding en fosfaten die werden gebruikt voor de fabricage van worst. In 1933 had het bedrijf 181 mensen in dienst. Benckiser was een belangrijke leverancier voor de voedselindustrie en gedijde uitstekend onder het nazibewind: in tien jaar verdriedubbelde de winst. Albert sr. stond aan het hoofd van de regionale kamer van koophandel, die hielp bij de Arische zuivering binnen het bedrijfsleven en bij het verdrijven en onteigenen van Joodse bedrijven.

Benckiser heeft zelf niet geprofiteerd van de bedrijven die werden overgenomen van Joodse eigenaren, en ook heeft Benckiser geen gebruik gemaakt van arbeidskrachten uit de concentratiekampen, wat wel gebruikelijk was binnen veel grotere bedrijven, zoals Messerschmitt, een voorloper van Airbus, of IG Farben, dat later is opgesplitst in bedrijven als BASF en Bayer. Maar vanaf eind 1940 hebben de Reimanns wel structureel hun voordeel gedaan met dwangarbeid: mannen en vrouwen die uit hun huis waren gehaald in door nazi’s bezet gebied, of krijgsgevangenen die door de nazi’s werden tewerkgesteld op boerenbedrijven en fabrieken verspreid over heel Duitsland.

Ergens in deze periode begon Emilie Landecker op de boekhoudafdeling van het bedrijf. Er is maar weinig bekend over Landeckers tijd bij Benckiser tijdens die oorlogsjaren, behalve dat ze onder de jongere heer Reimann werkte. Volgens Harf nam het gebruik van dwangarbeid al snel zo’n omvang aan dat het niet anders kan of ze moet op de hoogte zijn geweest van deze wantoestand.

In 1943 bestond een derde van het personeelsbestand uit dwangarbeiders: 175 mensen, van wie de meesten afkomstig uit Frankrijk en Oost-Europa.

Benckiser had twee werkkampen. In een daarvan zwaaide Paul Werneburg de scepter, een wrede voorman die al sinds 1910 bij het bedrijf in dienst was. Tijdens zijn bewind werden vrouwelijke arbeidskrachten gedwongen om naakt voor hun barakken in het gelid te staan, en wie dat weigerde riskeerde nog meer seksueel misbruik. Arbeidskrachten werden geschopt en geslagen, zoals een Oekraïense vrouw die ook schoonmaakte in de privévilla van de Reimanns.

‘Mijn lieve kind,’ schreef hij in december 1938, een maand nadat tijdens de Kristalnacht in heel Duitsland synagogen en Joodse huizen waren geplunderd en in de as gelegd. ‘De tijden zijn veranderd en daarmee ook de mensen.’

Tijdens een bombardement op 7 januari 1945 joeg Werneburg tientallen arbeiders de schuilkelder uit. Dertig mensen raakten gewond en een iemand vond de dood. De verhalen over de wreedheid van Werneburg deden de ronde en zelfs de plaatselijke nazi-officier die was belast met de toewijzing van dwangarbeiders sprak de Reimanns aan op de manier waarop hun arbeidskrachten werden behandeld.

Emilie Landecker zou hier allemaal getuige van zijn geweest, schrijft haar zoon, Wolfgang Reimann, in een mail. ‘Ze heeft zich staande gehouden in het gruweltheater binnen ons eigen bedrijf,’ zei hij.

‘Waarschijnlijk zat zij ook in die bunker toen Werneburg de arbeiders naar buiten joeg.’

De Reimanns bleven fervent aanhanger van de nazi-ideologie, blijkt uit het onderzoek van Erker. Zelfs eind februari 1945 geloofde de jonge Reimann nog in de ‘Endsieg’, Hitlers eindoverwinning. Datzelfde jaar in mei werd de oorlog beslecht; een maand later werd Reimann opgepakt en geïnterneerd door de geallieerden, als onderdeel van het de-nazificeringsproces.

Albert jr., die in blok A van kamp 73 werd vastgehouden, met als gevangenennummer 2228, schreef op 22 september een brief aan de officier die de leiding had over het kamp, waarin hij de aantijging dat hij ‘al van begin af aan een fervent nazi was geweest’ van de hand wees als ‘niet meer dan verdachtmakingen’, en waarin hij stelde zelf slachtoffer te zijn geweest van de nazi’s.

‘In deze omstandigheden tast ik in het duister omtrent de oorsprong van bovengenoemde aantijging,’ schreef hij. ‘Ik ben geneigd te geloven dat ik zelf scherp in de gaten werd gehouden door de Gestapo.’

Het werkte. Terwijl de Fransen Reimann jr. aanvankelijk hadden verboden zijn bedrijf voort te zetten, draaiden de Amerikanen die beslissing terug en registreerden hem niet als nazi, maar als meeloper van de nazi’s.

In 1947 bedroeg het vermogen van de familie Reimann 686.000 Rijksmark, wat vandaag de dag zou neerkomen op zo’n 2,4 miljoen dollar. Het vermogen groeide mee met Benckiser en haar dochterondernemingen, en momenteel wordt het familievermogen geschat op zo’n 33 miljard euro. Op een lijst van de rijkste families in Duitsland, die onlangs is uitgebracht, staan de Reimanns op de tweede plaats.

Volgens Wolfgang Reimann heeft zijn vader de kinderen nooit veel over de oorlog verteld, behalve dat de dwangarbeiders zo aan het bedrijf waren gehecht dat ze moesten huilen toen de strijd was beslecht en ze weg moesten.

‘Hij beweerde dat de Franse arbeidskrachten op zaterdag meestal een glas rode wijn kregen,’ vertelt Wolfgang, ‘en dat mensen die waren overgeplaatst uit andere kampen zeiden dat Benckiser het beste kamp was waar ze ooit hadden gezeten of van hadden gehoord.’

‘Nonsens,’ zegt hij en vloekt.

Laatste brief uit het getto

Emilie Landecker was bij Benckiser aan het werk toen de Gestapo haar vader kwam ophalen. Dat was op 24 april 1942. Rond het middaguur stonden er twee agenten op de stoep van het appartement waar het gezin woonde.

Haar jongere broer, Wilhelm, die dit moment later beschrijft in nooit gepubliceerde memoires, deed open. ‘Is de Jood Alfred Israel Landecker thuis?’ vroeg een van de agenten.

Wilhelm bracht de agenten naar hun vader, die al klaar zat. Hij had eerder die maand een brief gekregen met daarin de datum van zijn deportatie. Met de Duitse precisie was hem opgedragen één stel kleren in te pakken, wat ondergoed en een jas met een gele jodenster. Hij mocht geen geld of waardevolle spullen meenemen.

‘Zo, vuile Jood,’ zei de agent. ‘Ben je klaar voor de reis?’

Alfred Landecker deed zijn koffer dicht en trok zijn jas aan. Toen omhelsde hij voor de laatste keer zijn zoon en gaf hem een kus. ‘Willi, blijf binnen, zodat niemand mijn davidsster met jou in verband brengt,’ zei Landecker, waarna hij hem vroeg zijn liefde over te brengen aan zijn zussen. ‘Neem namens mij afscheid van Emmi en Gerdele. Gedraag je, en wees gehoorzaam aan God.’

Een paar weken later arriveerde er een laatste brief van Landecker, maar daarvan is alleen de envelop overgebleven. Uit de envelop blijkt dat hij in blok III 416/2 zat, in Izbica, een getto dat dienstdeed als doorgangsstation voor de deportatie van Joden naar de dodenkampen Belzec en Sobibor in het door de nazi’s bezette Polen.

Bijna elk Duits bedrijf dat al een tijdje meedraait, heeft wel een verhaal over het naziverleden.

Landecker, een veteraan uit de Eerste Wereldoorlog en een geslaagd accountant, was een liefdevolle vader geweest. Nadat zijn vrouw, een katholiek, in 1928 was overleden had hij in zijn eentje voor hun drie kinderen gezorgd.

Emilie, de oudste, was destijds zes geweest. In 1933 kregen de nazi’s de macht in handen. Twee jaar later werd met de Neurenberger-wetten de rassenleer van de nazi’s geïnstitutionaliseerd en werd de Joden hun burgerrechten ontnomen. Rond die tijd deed Alfred Landecker twee dingen die van een vooruitziende blik getuigden. Hij zorgde ervoor dat zijn kinderen in de katholieke kerk werden gedoopt, zoals ook zijn overleden echtgenote was gedoopt. En hij zette al zijn bezittingen, ook het appartement waar het gezin woonde, officieel op hun naam, zodat ze niet onteigend konden worden.

Maar Landecker kon zijn kinderen niet beschermen tegen een algehele vijandigheid die in hoog tempo escaleerde, van dreigend naar levensbedreigend – een verschuiving die hij vastlegde in een reeks brieven aan zijn jongste dochter, die problemen had met haar gezondheid en destijds bij de zus van zijn vrouw verbleef, op het Beierse platteland.

‘Mijn lieve kind,’ schreef hij in december 1938, een maand nadat tijdens de Kristalnacht in heel Duitsland synagogen en Joodse huizen waren geplunderd en in de as gelegd. ‘De tijden zijn veranderd en daarmee ook de mensen.’

‘We hebben vijf jaar gestreden en kijk in wat voor tijd we nu leven,’ schreef hij, doelend op de Eerste Wereldoorlog. ‘Ik hoop dat jullie, mijn dierbare kinderen, jullie goed zullen blijven gedragen en mij in jullie hart zullen meedragen, al zullen jullie het zwaar krijgen vanwege mij.’

Landecker was op zoek naar een manier om te ontsnappen uit Duitsland – misschien naar Amerika, waar hij een broer en een schoonzus had wonen. ‘Tante Pauline heeft ons geschreven vanuit Amerika,’ schreef hij dat jaar december. ‘Ze doet haar uiterste best voor ons, misschien komt het allemaal goed.’ Maar er was niet genoeg geld. Alfred Landecker mocht niet werken, wat betekende dat Emilie, destijds nog een puber, de kostwinner werd.

Toen Alfred Landecker in april 1942 bericht ontving dat hij gedeporteerd zou worden, deed het gezin nog een laatste wanhopige poging om dat te voorkomen. Ze namen de trein naar Berlijn, om naar het hoofdkantoor van Joodse zaken te gaan, waar de kinderen van Landecker hun katholieke papieren toonden. Ze werden weggestuurd.

‘Huilend gingen we terug naar het hotel, waar onze vader zat te wachten,’ schreef Wilhelm Landecker later. Ondanks de teleurstelling had hun vader theaterkaartjes gekocht voor het hele gezin, die avond in Berlijn. Een paar dagen later schreef hij zijn laatste brief naar Beieren.

‘Lieve Gerdele,’ schreef hij. ‘Zoals je kunt zien, ben ik nog hier, maar dat zal niet lang meer duren. Ik heb vandaag bericht gekregen dat ik op de 24e van deze maand wordt gedeporteerd – dus over twee dagen. Dit is dus de laatste brief die je van mij zult ontvangen vanuit hier, of misschien wel de laatste brief ooit. We weten niet wat ons te wachten staat. Ik wens jullie het allerbeste voor de toekomst. Zorg dat jullie gezond blijven en uitgroeien tot fatsoenlijke mensen,’ drukte hij haar op het hart. ‘Als het kan, schrijf ik zo snel mogelijk weer en ik hoop dat jullie me nooit helemaal zullen vergeten.’

‘Hier in Duitsland zul je niet kunnen trouwen,’ vervolgde hij. ‘Leer andere talen!! Je hebt je hele toekomst nog voor je – maak er iets moois van.’

‘Vergeet niet, mijn liefste kind, om God te gehoorzamen, en geef iedereen veel liefs van mij. Een heel warme groet van je papa.’

Nadat haar vader was gedeporteerd bleef Emilie Landecker bij Benckiser werken en groeide uit tot een gewaardeerde werkneemster. Toen de oorlog was afgelopen, ging Emilie Landecker geregeld met papieren die Albert jr. moest tekenen naar Heidelberg – een gevaarlijke tocht door platgebombardeerde gebieden en via een noodbrug over de Rijn.

Niemand weet precies hoe hun verhouding is begonnen. Maar in 1951 werd hun eerste kind geboren. Er zouden er nog twee volgen. Twee keer per week, op zondag en woensdag, liet Reimann jr. zijn vrouw alleen om naar Emilie Landecker te gaan.

‘Het gaat er niet alleen om dat we onderzoek doen en zorgen dat we het verleden niet vergeten. Het gaat er ook om dat we onze huidige democratie stabiliseren en overeind houden.’

Ze werkte voor Benckiser tot 1965. In dat jaar adopteerde Albert jr. officieel hun kinderen. (Zijn vrouw, Paula, was al een tijdje op de hoogte van de verhouding.) De Duitse autoriteiten hadden Emilie Landecker lange tijd onder druk gezet om de naam prijs te geven van de vader van haar kinderen, maar dat had zij altijd geweigerd. Jaren later biechtte ze in een brief aan de jongere Reimann op dat ze het zo erg had gevonden dat ze nooit zijn vrouw had kunnen zijn – en dat ze nooit een gewoon gezin waren geweest.

‘En nu wil ik ook graag iets zeggen over onze relatie,’ schreef Emilie Landecker. ‘Ik denk dat ik jou veel meer nodig heb dan jij mij, aangezien ik slechts een klein deel van jouw leven uitmaak.’

‘Ondanks alles ben ik een vrouw,’ schreef ze. ‘Jij was en bent de enige met wie ik kan praten.’

‘Inmiddels weet ik natuurlijk dat het geen onwil was van jouw kant, maar desondanks heb ik het gemist. Ik wilde geen eisen stellen die in de gegeven omstandigheden onmogelijk konden worden ingewilligd.’

Emilie Landecker was een stille vrouw. Ze zei maar weinig. Maar als we haar kinderen mogen geloven, hield ze van hun vader, ondanks alles.

‘Ik heb nooit goed begrepen waarom,’ zegt Wolfgang Reimann. ‘Voor zover ik hem heb meegemaakt, was het niet echt een man om van te houden.’

De kinderen wisten tientallen jaren niet beter dan dat de ouders elkaar hadden ontmoet ‘op het werk’. Ze wisten dat hun opa van moederskant, Alfred, door de nazi’s was vermoord. Maar ze zijn er pas dit jaar achter gekomen dat hun vader een fervent nazi was. Wanneer de kinderen informeerden naar de Joodse wortels van de familie, zo vertelt Wolfgang, draaide Emilie Landecker om de hete brei heen, zei dat ze was opgegroeid in ‘een Joodse omgeving’ en drukte de kinderen op het hart geen ‘oude koeien’ uit de sloot te halen.

‘Mijn moeder zei nooit veel,’ aldus Wolfgang Reimann. ‘Ik heb heel lang gedacht dat ze gewoon zo in elkaar zat.’ Maar inmiddels kijkt hij er anders tegenaan: ‘Als ik met mijn grote liefde zou moeten leven zoals mijn moeder dat heeft gedaan, en diegene was ook nog eens verantwoordelijk voor de verschrikkingen van de oorlog, zou ik denk ik ook niet zo veel zeggen.’

De orde van de dag

Bijna elk Duits bedrijf dat al een tijdje meedraait, heeft wel een verhaal over het naziverleden. Veel van die verhalen zijn verteld. Maar niet allemaal. Bahlsen, de koekjesfabrikant, heeft eerder dit jaar een onderzoek aangekondigd naar de oorlogsjaren van het bedrijf, nadat een jonge erfgename zich nogal laconiek had uitgelaten over de inzet van dwangarbeiders.

Internationale uitbreiding is voor Duitse bedrijven geregeld de aanleiding om het verleden onder ogen te zien. Zo is het ook gegaan met het vermogen van Reimann. In de loop der jaren zijn er bij Benckiser verschillende overnames geweest en nieuwe vestigingen gekomen; Benckiser is met een ander bedrijf in zee gegaan, waardoor het megaconcern Reckitt Benckiser is ontstaan, dat bekend is van merken als Lysol en Durex. En uiteindelijk hebben de Reimanns een groot deel van hun vermogen in JAB gestoken. De afgelopen jaren heeft de holding miljarden geïnvesteerd om de strijd aan te binden met bedrijven als Starbucks en Nestlé door ketens op te kopen zoals Panera Bread, Krispy Kreme en Pret A Manger. Vorig jaar hebben ze ook Keurig Green Mountain geholpen om Dr Pepper Snapple over te nemen voor een kleine negentien miljard. JAB heeft ook cosmeticagigant Coty in handen, de eigenaar van de Calvin Klein-geuren.

Toen het bedrijf steeds meer onder vuur kwam te liggen heeft Harf er bij de familie Reimann op aangedrongen om zelf het voortouw te nemen en onderzoek te doen naar het verleden – voordat iemand anders hen voor zou zijn.

De nazi-onthullingen hebben veel teweeggebracht bij de jongste Reimanns. ‘Ik moest bijna overgeven toen ik hoorde en las over de gruweldaden die, met medeweten van mijn grootvader, hebben plaatsgevonden bij Benckiser,’ zegt Martin Reimann (30), een kleinzoon van Emilie Landecker en Albert Reinmann junior. ‘Tot die tijd hield ik me eerlijk gezegd maar weinig met politiek bezig. Maar door wat er is gebeurd, is dat allemaal veranderd. Ik moet iets doen. In ons familieberaad heeft de jonge generatie voor een soort opstand gezorgd.’

Bij elke beslissing die belangrijke industriëlen nemen, moeten ze zich volgens hem afvragen: ‘Wat betekent dit voor onze kinderen? Wat betekent het voor onze toekomst?’

Door de stichting te vernoemen herstelt de familie Reimann de naam in ere van Alfed Landecker – een van de miljoenen mensen die door de nazi’s zijn omgebracht. Maar ook wordt er een expliciete link gelegd tussen de misdrijven uit het verleden en de strijd van vandaag de dag om de liberale, democratische waarden hoog te houden.

‘Welke lessen we kunnen trekken uit het verleden, en hóé, die vraag ligt ten grondslag aan deze stichting,’ zegt Norbert Frei, de voorzitter van de wetenschappelijke raad van de stichting. Frei is een gerespecteerd historicus verbonden aan de universiteit van Jena, en hij heeft onderzoeken geleid naar het naziverleden van andere bedrijven, zoals Bertelsmann. ‘Het gaat er niet alleen om dat we onderzoek doen en zorgen dat we het verleden niet vergeten,’ voegt hij eraan toe.  ‘Het gaat er ook om dat we onze huidige democratie stabiliseren en overeind houden.’

Harf, de directeur van JAB, is het met hem eens. Hij zegt dat hij onlangs De orde van de dag heeft gelezen, een historische roman van Éric Vuillard die speelt in de jaren voorafgaand aan de Tweede Wereldoorlog. Een van de scènes in het boek is gesitueerd in februari 1933, toen Hitler samen met de voorzitter van de Rijksdag vierentwintig industriëlen wist over te halen geld te doneren aan de nazipartij. De zakenlieden – die bedrijven vertegenwoordigden die nog altijd grote spelers zijn op de markt, zoals Siemens, Bayer en Allianz – trokken braaf de portemonnee.

Harf zegt dat hij zich daardoor realiseerde dat in het zakenleven onvoldoende mensen zich uitspreken tegen de opkomst van het nationalisme en het populisme, zoals we dat momenteel zien in Europa en de Verenigde Staten. Bij elke beslissing die belangrijke industriëlen nemen, moeten ze zich volgens hem afvragen: ‘Wat betekent dit voor onze kinderen? Wat betekent het voor onze toekomst?’

‘In het verleden heeft de industrie populisten ruim baan gegeven,’ voegt hij eraan toe. ‘Die vergissing moeten we nu niet weer maken.’ Vervolgens citeert hij Holocaust-overlevende Simon Wiesenthal: ‘Om het kwaad te laten gedijen, volstaat het dat goede mensen niets doen.’

Daar voegt hij aan toe: ‘Als opvolgers en afstammelingen van mensen die verschrikkelijke daden hebben gepleegd, is het van wezenlijk belang dat onze generatie accepteert wat er is gebeurd en dat we al het mogelijke in het werk stellen om te zorgen voor verdraagzaamheid en gelijkwaardigheid in de gemeenschappen waarin we leven, dat we ons ervan verzekeren dat de daden van Albert Reimann sr. en Albert Reimann jr. deel uitmaken van een geschiedenis die zich nooit meer zal herhalen.’

Katrin Bennhold Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

Bron: 360 Magazine

This post is also available in: Nederlands